Osho's Verlichting
Uit: The Discipline of Transcendence, deel 2-
Hoofdstuk 11
De Boeddha zei:
Denk eens aan de vier elementen
waaruit het lichaam bestaat.
Alle vier hebben ze hun eigen naam
maar iets wat ego heet vind je niet.
Omdat er werkelijk geen ego is,
moet het zoiets zijn als een luchtspiegeling.
Ik moet denken aan die dag van 21 maart 1953, toen alles op
zijn plaats viel. Al heel veel levens was ik aan het werk
- werken aan mezelf, aan het worstelen, alles doen wat maar
gedaan kon worden - maar er gebeurde niets.
Nu begrijp ik waarom er niets gebeurde. De inspanning zelf
was de barrière, de ladder zelf stond in de weg, de
drang om te zoeken was juist het obstakel.
Het is niet zo, dat iemand kan bereiken zonder te zoeken.
Zoeken is nodig, maar er komt een punt waarop je moet ophouden
met zoeken. Een boot is nodig om de rivier over te steken,
maar er komt een moment dat je uit de boot moet stappen, de
hele boot moet vergeten en hem achter moet laten. Inspanning
is nodig, zonder inspanning gebeurt er niets. Maar als je
je alleen inspant, dan gebeurt er ook niets.
Vlak voor 21 maart 1953, zeven dagen eerder, hield ik op
met werken aan mezelf. Er komt een moment dat je het hele
onbeduidende van je inspannen ziet. Je hebt alles gedaan wat
kan, en toch gebeurt er niets. Je hebt alles gedaan wat menselijkerwijs
mogelijk is. Wat meer kun je dan nog doen? Uit pure hulpeloosheid
hou je op met elke vorm van zoeken.
En de dag waarop mijn zoeken ophield, de dag waarop ik nergens
naar zocht, de dag waarop ik niet verwachtte dat er iets zou
gebeuren, toen begon het te gebeuren. Een nieuw soort energie
kwam op - nergens vandaan. Het kwam uit geen enkele bron.
Het kwam nergens vandaan en overal vandaan. Het was in de
bomen en in de stenen en in de hemel en in de zon en in de
lucht - het was overal. En ik had zo hard gezocht, en ik dacht
dat het zo heel ver weg was. En het was zo dichtbij, zo vlak
om me heen.
Juist mijn zoeken veroorzaakte dat ik niet meer kon zien
wat vlakbij was. Zoeken heeft altijd te maken met wat ver
weg is, zoeken heeft altijd met afstand te maken - en het
was niet ver weg. Ik was verziend geworden, ik had mijn bijziendheid
verloren. Mijn ogen waren scherp gesteld op wat ver weg ligt,
op de horizon, en ze hadden hun vermogen verloren om te zien
wat vlakbij ligt, wat zich direct om je heen bevindt.
Op de dag dat mijn inspanning verdween, verdween ik zelf
ook. Want je kunt niet bestaan zonder je in te spannen, en
je kunt niet bestaan zonder verlangens, en je kunt niet bestaan
zonder ergens naar te streven.
Het verschijnsel ego, het zelf, is geen ding, het is een
proces. Het is geen substantie, iets wat daar binnen in je
zit; je moet het ieder moment tot leven brengen. Het is net
als met fietsen. Als je doorgaat met trappen blijft de fiets
vooruitgaan, maar als je ophoudt met trappen stopt de fiets.
Hij kan nog even doorrijden, vanwege het vliegwiel-effect,
maar op het moment dat je ophoudt met trappen begint de fiets
in feite al met stil te staan. Er is geen energie meer, geen
kracht meer om vooruit te komen. Hij zal omvallen en stuk
gaan.
Het ego bestaat omdat we maar doortrappen op de fiets van
begeerte, omdat we maar blijven streven om ergens te komen,
omdat we maar doorgaan met onszelf voorbij te rennen. Dat
is nou precies het verschijnsel ego - het jezelf voorbij rennen,
de toekomst in draven, de dag van morgen binnen springen.
Die sprong in het niet-bestaande creëert het ego. Omdat
het uit het niet-bestaande voortspruit, is het net een luchtspiegeling.
Het bestaat alleen uit verlangens en uit niets anders. Het
bestaat alleen maar uit dorst, en nergens anders uit.
1
Het ego bestaat niet in het huidige moment, het bestaat in
de toekomst. Als je in de toekomst leeft lijkt het ego iets
heel substantieels. Als je in het huidige moment leeft is
het ego een luchtspiegeling, die begint te verdwijnen.
Die dag, toen ik ophield met zoeken.... maar het is niet
juist als ik zeg dat ik ophield met zoeken, het is beter om
te zeggen die dag, toen het zoeken ophield. Ik zal het nog
eens zeggen: een betere manier om het te zeggen is die dag
dat het zoeken ophield. Want als ik ophoud, dan ben ik er
zelf weer bij. Dan wordt ophouden mijn inspanning, dan wordt
ophouden mijn verlangen, en verlangens hebben een heel subtiele
manier van bestaan.
Begeerte kun je niet stoppen; die kun je alleen maar begrijpen.
In dat begrijpen zit het stoppen. Onthou, niemand kan ophouden
met verlangen, en de werkelijkheid openbaart zich alleen als
begeerte stopt.
Dat is dus de patstelling. Hoe dit op te lossen? Begeerte
bestaat, en de Boeddha's blijven maar volhouden dat begeerte
moet stoppen en bijna in één adem zeggen ze
er achteraan dat je niet kunt ophouden met verlangen. Wat
moet je dus doen? Mensen staan voor het blok. Ze zijn vol
begeerte, dat is zeker. Dan zeg je dat dit afgelopen moet
zijn - okay. En dan zeg je dat je het niet stop kunt zetten.
Wat moet je dan doen?
Begeerte moet begrepen worden. Je kunt het begrijpen, je
hoeft alleen maar de onbeduidendheid er van in te zien. Een
direkt doorzien is nodig, een direkt binnendringen is nodig.
Doorvors je begeerte, kijk wat het inhoudt, dan zie je het
onechte ervan, dan zie je dat het iets is wat in feite niet
bestaat. Dan valt je verlangen weg, en iets anders binnen
in je valt tegelijkertijd weg.
Begeerte en ego hebben een samenwerkingsverband, ze ondersteunen
elkaar. Het ego kan niet bestaan zonder begeerte, begeerte
kan niet bestaan zonder het ego. Begeerte is naar buiten gericht
ego, ego is naar binnen gerichte begeerte. Ze gaan altijd
samen, het zijn twee aspecten van hetzelfde verschijnsel.
Op die dag dat begeerte wegviel voelde ik me uiterst hopeloos
en hulpeloos. Geen hoop, want de toekomst bestond niet meer.
Er viel niets te hopen, want gebleken was dat alle hoop niets
om het lijf heeft, nergens toe leidt. Je loopt in cirkeltjes.
Hoop blijft maar voor je uit bengelen, creëert steeds
weer nieuwe luchtspiegelingen, blijft je naar toeroepen: 'Kom
op, loop harder, dan kom je er wel'. Maar hoe hard je ook
loopt, je komt er nooit.
Daarom noemt Boeddha het een luchtspiegeling. Het is net
als de horizon die rond de wereld ligt. Het lijkt of die er
is, maar hij is er niet. Als je er naar toe gaat, wijkt hij
snel van je weg. Hoe harder je gaat, hoe sneller hij terugwijkt.
Hoe langzamer je gaat, hoe trager hij terugwijkt. Maar één
ding staat vast - de afstand tussen jou en de horizon blijft
beslist dezelfde. Je kunt de afstand tussen jezelf en de horizon
nog geen meter kleiner maken.
De afstand tussen jezelf en je hoop kun je ook niet kleiner
maken. Hoop is hetzelfde als horizon. Je probeert een brug
te slaan naar de horizon, naar je hoop, door verlangens te
projecteren. Begeerte is zo'n brug, een brug die je droomt
- want de horizon bestaat niet, dus kun je er ook geen brug
naar toe construeren, je kunt alleen dromen over zo'n brug.
Je kunt geen verbinding maken met iets wat niet bestaat.
Die dag dat begeerte wegviel, die dag dat ik goed keek en
me realiseerde wat ik zag, stelde het gewoon niets voor. Ik
voelde me hulpeloos en hopeloos. Maar op datzelfde moment
begon er iets te gebeuren. Juist dat gebeurde waar ik al vele
levens aan werkte, maar toen gebeurde het niet.
In je hopeloosheid ligt je enige hoop, en in je begeerteloosheid
ligt je enige bevrediging, en in je diepe hulpeloosheid schiet
het hele bestaan je plotseling te hulp.
Het bestaan wacht af. Als het ziet dat je op jezelf werkt,
bemoeit het zich er niet mee. Het wacht. Het kan oneindig
lang wachten, want er is geen haast bij. Het is eeuwigheid.
Op het moment dat je niet op jezelf bent, op het moment dat
je stopt, op het moment dat je verdwijnt, komt het hele bestaan
op je af, komt bij je naar binnen. En voor het eerst gaan
er dingen gebeuren.
Zeven dagen lang bevond ik me in een heel hopeloze en hulpeloze
staat, maar tezelfdertijd kwam er iets omhoog. Als ik zeg
hopeloos bedoel ik niet wat jullie bedoelen met het woord
hopeloos. Ik bedoel gewoon dat er geen hoop in me was. Hoop
was afwezig. Ik zeg niet dat ik me hopeloos en triest voelde.
In feite voelde ik me gelukkig, ik was erg rustig, kalm en
bedaard en in mijn centrum. Hopeloos, maar in een totaal nieuwe
betekenis. Er was geen hoop, dus hoe kon er hopeloosheid zijn?
Beide waren verdwenen.
2
Die hopeloosheid was volledig en totaal. Hoop was verdwenen
en daarmee was het tegendeel, hopeloosheid, ook verdwenen.
Het was een totaal nieuwe ervaring - zonder hoop te zijn.
Het was geen negatieve staat. Ik moet woorden gebruiken -
maar het was geen negatieve staat. Het was volslagen positief.
Het was geen afwezigheid, een aanwezigheid was te voelen.
Iets in me was aan het overlopen, aan het overvloeien.
En als ik zeg dat ik me hulpeloos voelde, bedoel ik niet
het woord uit het woordenboek. Ik zeg enkel dat ik zelf-loos
was. Dat is wat ik bedoel als ik zeg hulpeloos. Ik herkende
het feit dat ik er niet was, dus kon ik niet op mezelf vertrouwen,
dus kon ik niet op eigen benen staan - er was geen grond om
op te staan. Ik bevond me in een afgrond... een bodemloze
afgrond. Maar er was geen angst, want er was niets om te beschermen.
Er was geen angst, omdat er niemand was om angstig te zijn.
Die zeven dagen betekenden een geweldige transformatie, een
totale transformatie. En op de laatste dag werd de aanwezigheid
van een totaal nieuwe energie, een nieuw licht en een nieuwe
vervoering, zo intens, dat het bijna ondraaglijk werd - alsof
ik zou exploderen, alsof ik gek zou worden van een diep gevoel
van heerlijkheid. De nieuwe generatie in het Westen kent er
het juiste woord voor - ik was 'blissed out, stoned'.
Het was onmogelijk om er iets zinnigs over te zeggen, over
wat er gebeurde. Het was een erg zin-loze wereld - moeilijk
om het uit te puzzelen, moeilijk om in categorieën in
te delen, moeilijk om in woorden te vatten, in taal, in verklaringen.
Alle Geschriften leken doods en alle woorden die gebruikt
zijn voor deze ervaring leken erg bleek, bloedeloos. Dit was
zo levend. Het was als een vloedgolf van diepe heerlijkheid.
De hele dag verliep vreemd, idioot, en het was een schokkende
ervaring. Het verleden verliet me, alsof het nooit bij me
gehoord had, alsof ik er ergens over gelezen had, alsof ik
er over gedroomd had, alsof het het verhaal van iemand anders
was, dat ik gehoord had, dat iemand me verteld had. Ik kwam
los van mijn verleden, ik werd uit mijn geschiedenis getrokken,
ik verloor mijn levensverhaal. Ik werd een niet-wezen, wat
Boeddha anatta noemt. Grenzen verdwenen, scheidslijnen verdwenen.
Mijn denkende geest verdween; miljoenen kilometers weg. Het
was moeilijk vasthouden, hij snelde verder en verder weg,
en er was geen drang om hem in de buurt te houden. Ik stond
gewoon onverschillig tegenover wat er gebeurde. Het was wel
in orde. Er was geen drang om de lijn van het verleden vast
te houden.
Tegen de avond werd het erg moeilijk om het nog langer te
verdragen - het deed zeer, het was pijnlijk. Het was net als
bij een vrouw, als haar weeën beginnen, als een kind
geboren gaat worden, en een vrouw geweldig veel pijn lijdt
- de barensweeën.
In die tijd was ik gewend om zo rond twaalf of één
uur te gaan slapen, maar het was die dag onmogelijk om wakker
te blijven. Mijn ogen vielen aldoor dicht, het viel niet mee
om ze open te houden. Iets was ophanden, er stond iets te
gebeuren. Het was moeilijk te zeggen wat dat zou zijn - misschien
zou het mijn dood wel worden - maar er was geen angst. Ik
was er klaar voor. Die zeven dagen waren zo mooi geweest,
dat ik bereid was om te sterven, niets anders hoefde meer.
Die waren zo vol heerlijkheid geweest, ik was zo diep voldaan,
als de dood nabij was, dan was hij welkom.
Maar iets stond te gebeuren - iets als de dood, iets ingrijpends,
iets dat of doodgaan zou zijn of opnieuw geboren worden, een
kruisdood of een wederopstanding - maar iets van uiterst groot
belang bevond zich net om de hoek. Het was me onmogelijk mijn
ogen open te houden. Ik was bedwelmd.
Rond acht uur viel ik in slaap. Maar het was geen slaap.
Nu begrijp ik wat Patanjali bedoelt als hij zegt dat slaap
en samadhi hetzelfde zijn. Alleen met dit verschil - in samadhi
ben je volledig wakker en toch ook in slaap. In slaap en wakker
beide, het hele lichaam ontspannen, elke lichaamscel totaal
ontspannen, alle lichaamsprocessen functioneren ontspannen,
en toch brandt er een vlam van bewustzijn in je... helder,
zonder sliert. Je blijft alert en toch ontspannen, bent losjes,
maar volledig wakker. Het lichaam slaapt zo diep als het kan,
maar je bewustzijn bereikt een piek. De top van bewustzijn
en het dal van het lichaam ontmoeten elkaar.
Ik viel in slaap. Het was een heel vreemd soort slaap. Het
lichaam sliep, maar ik was wakker. Dat was zo vreemd - alsof
je naar twee kanten toe uit elkaar getrokken werd, in twee
richtingen; alsof de polen zich volledig op elkaar richtten,
alsof ik beide polen samen was... het positieve en het negatieve
kwamen samen, slaap en bewustzijn ontmoetten elkaar, dood
en leven kwamen elkaar tegen. Dat is het moment waarvan je
kunt zeggen dat 'de schepper en de schepping elkaar ontmoeten.'
Het was doodeng. De eerste keer sta je te trillen op je benen,
doet het je schudden op je grondvesten. Je kunt nooit meer
dezelfde zijn na zo'n ervaring; je krijgt een nieuwe blik
op je leven, het geeft een nieuwe kwaliteit.
3
Zo rond twaalf uur gingen mijn ogen plotseling open - ik deed
ze niet zelf open. Iets anders had de slaap verbroken. Ik
voelde een grote aanwezigheid in de kamer om me heen. Het
was een erg kleine kamer. Ik voelde pulserend leven overal
om me heen, een sterke vibratie - bijn als een orkaan, een
hevige storm van licht, vreugde, extase. Ik verdronk erin.
Het was zo ontzettend werkelijk, dat alles onwerkelijk werd.
De muren van de kamer werden onwerkelijk, het huis werd onwerkelijk,
mijn eigen lichaam werd onwerkelijk. Alles werd onwerkelijk,
omdat nu, voor de eerste keer, werkelijkheid er was.
Daarom, als Boeddha en Shankara zeggen dat de wereld maya
is, een luchtspiegeling, daarom kunnen wij hen moeilijk begrijpen.
Omdat we alleen deze wereld kennen, kunnen we niet vergelijken.
Dit is de enige werkelijkheid die we kennen. Waar praten die
mensen over - dat dit maya is, een illusie? Dit is de enige
werkelijkheid. Tenzij jullie de echte werkelijkheid leren
kennen, zijn hun woorden niet te begrijpen, blijven ze theoretisch.
Ze lijken op hypotheses. Misschien lanceert zo iemand een
soort filosofie - 'De wereld is onwerkelijk'.
Toen Berkley in het Westen zei dat de wereld onwerkelijk
was, maakte hij een wandeling met een van zijn vrienden, een
erg logisch ingestelde man; die vriend was een een soort scepticus.
Hij pakte een steen van de weg en smeet die hard op Berkley's
voet. Berkley gaf een schreeuw, het bloed spoot eruit, en
de scepticus zei: 'Wel, is de wereld onwerkelijk? Jij beweert
dat de wereld onwerkelijk is? - Waarom schreeuwde je dan?
Is die steen onwerkelijk? - Waarom schreeuwde je dan? Waarom
hou je dan je voet vast en waarom is er zoveel pijn en smart
op je gezicht te zien? Hou er mee op. Het is allemaal onwerkelijk.'
Dit type mens kan niet begrijpen wat Boeddha bedoelt als
hij zegt dat de wereld een luchtspiegeling is. Hij bedoelt
niet, dat je door een muur heen kunt lopen. Dat beweert hij
niet - dat je stenen kunt opeten en dat het geen verschil
maakt of je stenen of brood eet. Dat zegt hij niet.
Hij zegt, dat er een echte werkelijkheid bestaat. Zodra je
die hebt leren kennen, dan vervaagt de zogenaamde werkelijkheid
eenvoudigweg, die wordt gewoon onwerkelijk. Met een hogere
werkelijkheid in beeld wordt vergelijking mogelijk, anders
niet.
Als je droomt, is de droom echt. Je droomt elke nacht. Dromen
is een van de meest voorkomende activiteiten die je altijd
blijft doen. Als je zestig jaar leeft, dan slaap je daarvan
twintig jaar en bijna tien jaar daarvan droom je. Tien jaar
in een leven - er is niets anders dat je zo vaak doet. Tien
jaar van voortdurend dromen - denk daar eens over na. En elke
nacht... En elke ochtend zeg je dat het onecht was, en opnieuw,
's nachts als je droomt, wordt je droom weer werkelijkheid.
In een droom is het heel moeilijk om je te herinneren dat
het om een droom gaat. Maar 's ochtends is het zo makkelijk.
Hoe komt dat? Je bent dezelfde persoon. In een droom is er
maar één werkelijkheid. Hoe zou je moeten vergelijken?
Hoe zou je moeten zeggen dat het onecht is? Vergeleken met
wat? Het is de enige werkelijkheid. Het een is net zo onwerkelijk
als het ander, dus is er geen vergelijking mogelijk. 's Ochtends,
als je je ogen open doet, is er een andere werkelijkheid.
Nu kun je zeggen dat het allemaal onecht was. Vergeleken met
deze werkelijkheid, worden dromen onwerkelijk.
Er is nog een soort wakker worden - en vergeleken met die
werkelijkheid van dat ontwaken wordt de bestaande werkelijkheid
onwerkelijk.
Die nacht begreep ik voor de eerste keer de betekenis van
het woord maya. Niet dat ik het woord tevoren niet kende,
niet, dat ik niet wist wat het woord betekende. Zoals jullie
het weten, wist ik ook wat het betekende - maar ik had het
nog nooit begrepen. Hoe kun je iets begrijpen zonder dat je
het ervaren hebt?
Die nacht opende een andere realiteit zijn deuren, een andere
dimensie werd beschikbaar. Plotseling was het daar, die andere
realiteit, die op zichzelf staande realiteit, de echte werkelijkheid,
of hoe je het ook wilt noemen - noem het god, noem het de
waarheid, noem het dhamma, noem het tao, wat je maar wilt.
Het was naamloos. Maar het was er wel - zo ondoorschijnend,
en ook zo transparant, en ook zo solide dat je het bijna aan
kon raken. Het verstikte me bijna in die kamer. Het was te
overweldigend en ik was nog niet in staat om het te bevatten.
Er kwam een diepe behoefte in me op om naar buiten te rennen,
onder de open hemel te zijn - het verstikte me. Het was teveel!
Het zou mijn dood worden! Als ik een paar ogenblikken langer
binnen was gebleven, zou het me verstikt hebben - zo kwam
het over.
Ik rende de kamer uit, de straat op. Er was een grote behoefte
om onder de open hemel te zijn, bij de sterren, de bomen,
de aarde... in de natuur te zijn. En onmiddelllijk, toen ik
buiten was, verdween het gevoel dat ik zou stikken. Het was
een te
4
kleine ruimte voor zo'n groot verschijnsel. Zelfs de hemelruimte
is klein voor zo'n groot verschijnsel. Het is groter dan de
hemelruimte. Het gaat zelfs de grenzen van de hemel te buiten.
Maar toen voelde ik me rustiger.
Ik wandelde naar het dichtstbijzijnde park. Het was een totaal
nieuw soort wandeling, alsof de zwaartekracht verdwenen was.
Ik liep, of ik rende, of ik vloog gewoon; dat was moeilijk
vast te stellen. Zwaartekracht bestond niet, ik voelde me
gewichtloos - alsof een bepaald soort energie me optilde.
Ik was in de handen van een ander soort energie.
Voor het eerst was ik niet meer op mezelf, voor de eerste
keer was ik niet meer een individu, voor de eerste keer viel
de druppel in de oceaan. Nu was de hele oceaan van mij, ik
was de oceaan. Er waren geen grenzen. Een ontzettend grote
kracht kwam opzetten, alsof ik alles kon doen, wat je ook
maar kunt bedenken. Ik was er niet, alleen de kracht was er.
Ik kwam bij het park, waar ik elke dag altijd naar toe ging.
Het park was gesloten, afgesloten voor de nacht. Ik was te
laat, het was bijna 1 uur 's nachts. De werkers in het park
waren vast in slaap. Ik moest het park binnensluipen als een
dief, ik moest over het toegangshek klimmen. Maar iets trok
me naar het park toe. Het lag buiten mijn macht om mezelf
tegen te houden, ik kon alleen maar meedrijven.
Dat is wat ik bedoel, als ik steeds maar weer zeg 'laat je
meedrijven met de rivier, ga niet tegen de stroom in'. Ik
was ontspannen, ik liet alles gebeuren. Ik was er niet. HET
was er, noem het god - god was er.
Ik noem het liever HET, want god is teveel een mensenwoord,
het is te vies geworden doordat het teveel gebruikt is, te
smerig gemaakt door zoveel mensen. Christenen, Hindoes, Mohammedanen,
priesters, politici - allemaal hebben ze de schoonheid van
dat woord bedorven. Dus laat me het HET noemen. HET was er,
en ik werd voortgedragen ... voortgedragen door een vloedgolf.
Op het moment dat ik het park binnenging werd alles lichtgevend,
het hele park - wat een weldaad, wat een zegen. Ik zag de
bomen voor de eerste keer - het groen, het leven, het stromen
van het sap. Het hele park was in slaap, de bomen sliepen.
Maar ik kon zien hoe het hele park vol leven was, zelfs de
grassprietjes waren zo mooi.
Ik keek om me heen. Eén boom lichtte fantastisch op
- de maulshree boom. Hij trok me aan, hij trok me naar zich
toe. Ik had hem niet uitgekozen, god zelf had hem gekozen.
Ik ging naar de boom, zat onder de boom. Toen ik daar zat
begonnen de dingen op hun plek te vallen. Het hele universum
werd een zegen.
Het is moeilijk te zeggen hoelang ik in die staat bleef.
Toen ik naar huis terug ging was het vier uur in de ochtend,
dus volgens de klok moest ik daar minstens drie uur geweest
zijn - maar het was oneindig lang. Het had niets te maken
met kloktijd. Het was tijdloos.
Die drie uur werden de hele eeuwigheid, een eeuwigheid zonder
einde. Er was geen tijd, er verstreek geen tijd; het was de
maagdelijke werkelijkheid - onbevlekt, onaanraakbaar, onmetelijk.
Op die dag is er iets gebeurd dat maar doorgaat - niet als
een continuïteit - maar het gaat altijd maar door, als
een onderstroom. Niet als iets permanents - elk moment gebeurt
het opnieuw en opnieuw. Elk moment is het weer een wonder.
Die nacht... en sinds die nacht ben ik nooit meer in mijn
lichaam, ik hang er omheen. Ik werd ontzettend krachtig, en
tezelfdertijd erg breekbaar. Ik werd erg sterk, maar die sterkte
is niet de kracht van iemand als Mohammed Ali. Die sterkte
is niet de kracht van een steen, maar die sterkte is de kracht
van een roos - zo breekbaar in zijn kracht ... zo teer, zo
gevoelig, zo delicaat.
Een steen is iets blijvends, en een bloem kan elk moment
verdwenen zijn, maar toch is de bloem sterker dan de steen,
want er is meer leven in aanwezig. Of, neem de kracht van
een dauwdruppel op een grassprietje die glinstert in de ochtendzon
- zo mooi, zo kostbaar, en toch kan hij elk moment wegslippen.
Zo onvergelijkelijk in zijn sierlijkheid, maar een klein briesje
kan opsteken en dan slipt de dauwdruppel misschien weg, voor
altijd verloren.
Boeddha's hebben een kracht die niet van deze wereld is.
Hun kracht bestaat enkel uit liefde ... als een roos of een
dauwdruppel. Hun kracht is heel breekbaar, kwetsbaar. Hun
sterkte is de kracht van het leven, niet van de dood. Hun
kracht is niet de kracht die dood maakt; hun kracht is de
kracht die schept. Hun kracht is niet die van geweld, van
agressie; hun kracht is die van mededogen.
5
Ik ben nooit teruggekeerd in het lichaam, ik hang vlak om
mijn lichaam heen. Daarom zeg ik, dat het een groot wonder
is. Elk moment verbaas ik me dat ik nog steeds hier ben, dat
kan eigenlijk niet. Ik zou allang vertrokken moeten zijn,
maar toch ben ik nog steeds hier. Elke morgen doe ik mijn
ogen open en zeg: 'Zo, ben ik nog altijd hier?' Want dat lijkt
bijna onmogelijk. Het wonder gaat maar door.
Pas geleden stelde iemand een vraag - 'Bhagwan, u wordt zo
breekbaar en teer en zo gevoelig voor de geur van haarolie
en shampo, dat het er naar uitziet dat we alleen nog maar
bij u kunnen zijn als we ons allemaal kaal scheren'. Tussen
haakjes, er is niets verkeerds aan om kaal te zijn - kaal
is mooi. Precies zoals geldt 'zwart is mooi', zo geldt ook
'kaal is mooi'.
Maar het is waar, en je moet er voorzichtig mee zijn.
Ik ben breekbaar, teer en gevoelig. Dat is mijn kracht. Als
je een steen naar een bloem gooit gebeurt er niets met de
steen; maar de bloem gaat stuk. Toch kun je niet zeggen dat
de steen sterker is dan de bloem. De bloem is stuk omdat de
bloem leefde. En de steen - daar gebeurt niets mee omdat hij
dood is. De bloem gaat kapot omdat de bloem geen kracht heeft
om iets te vernielen. De bloem wijkt simpelweg om plaats te
maken voor de steen. De steen heeft de kracht om iets te vernielen,
omdat steen dood is.
Onthou, dat ik sindsdien nooit meer echt in het lichaam geweest
ben. Slechts een dunne draad verbindt me met mijn lichaam.
En ik verbaas me onophoudelijk dat het Al op een of andere
manier wil dat ik hier ben, omdat ik hier niet meer op eigen
kracht ben, ik ben hier niet meer uit eigen beweging. Het
moet de wil van het Al zijn om me hier te houden, en toelaat
dat ik hier nog wat langer verwijl op deze oever. Misschien
wil het Al via mij iets met jullie delen.
Sinds die dag is de wereld onwerkelijk. Een andere wereld
heeft zich geopenbaard. Als ik zeg dat de wereld onwerkelijk
is, bedoel ik niet dat deze bomen hier onwerkelijk zijn. Die
bomen zijn beslist echt - maar de manier waarop je die bomen
ziet is onwerkelijk. Die bomen zijn op zich niet onwerkelijk
- ze bestaan in god, ze bestaan in een echte werkelijkheid
- maar de manier waarop jullie ze zien, zie je ze nooit echt;
jullie zien iets anders, een luchtspiegeling.
Jullie scheppen je eigen droom om je heen, en tenzij jullie
wakker worden zul je doorgaan met dromen. De wereld is onwerkelijk
omdat de wereld die jullie kennen de wereld van je dromen
is. Als dromen wegvallen en jullie ontmoeten de wereld enkel
zoals die bestaat, dan openbaart zich de echte wereld.
Het zijn niet twee aparte dingen, god en de wereld. God is
de wereld als je ogen hebt, ogen die helder zijn, zonder een
enkele droom, zonder het stof waar dromen uit bestaan, zonder
een spoortje slaap; als je schone ogen hebt, helderheid, waarnemingsvermogen,
dan bestaat er niets anders dan god.
Dan is god hier een groene boom, en ergens anders is god
een fonkelende ster, en ergens anders is hij een koekoek,
en ergens anders is god een bloem, en ergens anders een kind,
en weer ergens anders een rivier - dan is er niets anders
dan god. Op het moment dat je begint te zien, is er niets
anders dan god.
Maar zoals het nu gesteld is, is alles wat je ziet geen waarheid,
maar geprojecteerde leugen. Zo werkt een luchtspiegeling.
En zodra je ziet, ook al is het niet meer dan een flits, als
je kunt zien, als je zo ver kunt komen om te zien, dan zul
je merken dat overal immense heerlijkheid heerst, overal -
in de wolken, in de zon, op de aarde.
Dit is een prachtige wereld. Maar ik heb het niet over jullie
wereld, ik heb het over mijn wereld. Jullie wereld is heel
lelijk, jullie wereld is jullie wereld die door een ego geschapen
is, jullie wereld is een geprojecteerde wereld. Jullie gebruiken
de echte wereld als een scherm, en projecteren daar je eigen
voorstellingen op.
Als ik zeg dat de wereld echt is, dat de wereld fantastisch
mooi is, dat de wereld eindeloos lichtgevend is, dat de wereld
vol licht en verrukking is, een feest, dan bedoel ik mijn
wereld - of jullie wereld, als je ophoudt met dromen.
Als je je dromen achter je laat zie je dezelfde wereld die
elke Boeddha altijd zag. Als je droomt, is het een privé-droom.
Die kun je niet delen, zelfs niet met je geliefde. Je kunt
je vrouw niet uitnodigen in je droom - of je man, of je vriend.
Je kunt niet zeggen: 'Toe, kom vannacht asjeblieft in mijn
droom. Ik zou graag mijn droom samen met jou willen zien.'
Dat is onmogelijk. Een droom is iets privé's, daarom
is het een illusie, het is niet objectief werkelijk.
God is iets universeels. Ben je eenmaal uit je privé-dromen
gestapt, dan is het er. Het is er altijd geweest. Als je ogen
eenmaal helder staan, plotseling vol licht zijn - dan stort
er zich plotseling een vloed aan schoonheid uit, aan grootsheid,
aan genade. Dat is het doel, dat is de bestemming.
6
Laat me het herhalen. Zonder inspanning zul je het nooit bereiken,
maar via inspanning heeft nog nooit iemand het bereikt. Je
moet een grote inspanning leveren, want alleen dan komt er
een moment waarop inspanning zinloos wordt. Maar die wordt
alleen maar zinloos als je tot het uiterste bent gegaan, nooit
eerder. Als je de hoogste mate van inspanning bereikt hebt
- alles wat je kon doen heb je gedaan - dan is er plotseling
geen behoefte meer om verder ook nog maar iets te doen. Je
laat je inspanning los.
Maar niemand kan halverwege loslaten, die inspanning kan
alleen wegvallen als je tot het alleruiterste bent gegaan.
Ga dus tot het alleruiterste als je tot loslaten wilt komen.
Daarom blijf ik er op hameren: span je zoveel in als je kunt,
stop er al je energie en je hele hart in, zodat de dag komt
waarop je inziet - inspanning brengt me nergens. Op die dag
zul jij het niet zijn die het zich inspannen loslaat, die
inspanning valt dan uit zichzelf weg. En als die uit zichzelf
wegvalt, dan ontstaat meditatie.
Meditatie is niet het resultaat van je inspanningen, meditatie
is iets wat gebeurt. Als je inspanning wegvalt, dan is er
plotseling meditatie... de weldaad ervan, de zegen ervan,
de glorie ervan. Het is er als een aanwezigheid... lichtgevend,
het omgeeft je van alle kanten, het is er aan alle kanten.
Het vervult de hele aarde en de hele hemel.
Die meditatie kan niet door menselijke inspanning in leven
geroepen worden. Menselijke inspanning is te beperkt. Die
zegenrijkheid is zo oneindig. Die kun je niet manipuleren.
Die kan alleen komen als je je volledig overgegeven hebt.
Als jij er niet bent, alleen dan kan het gebeuren. Als je
een niet-zelf bent - geen begeerte hebt, nergens naar toe
wilt - als je alleen maar hier-en-nu bent, niets bijzonders
doet, er gewoon bent, dan gebeurt het. Dan komt het in golven,
en de golven worden vloedgolven. Het komt als een stormwind,
en neemt je mee naar een totaal nieuwe werkelijkheid.
Maar eerst moet je alles doen wat je kunt, en daarna moet
je leren wat niet-doen is. Het doen van niet-doen is het hoogste
doen, en het inspannen van niet-inspannen is het hoogste inspannen.
Jullie soort meditatie, die je kunt bewerkstelligen door een
mantra te reciteren, of door stil en rustig te zitten, waartoe
je jezelf forceert, is een heel middelmatig soort meditatie.
Het is door jezelf in leven geroepen, het kan niet iets groters
zijn dan jezelf. Het is thuiswerk, en de maker is altijd groter
dan wat gemaakt werd. Je hebt het gemaakt door te gaan zitten,
een yoga-houding forcerend, 'rama, rama, rama' of iets dergelijks
reciterend - 'bla, bla, bla' - zoiets. Je hebt je geest geforceerd
om stil te zijn.
Het is een geforceerde stilte. Het is niet de rust die komt
als jij er niet bent. Het is niet de stilte die komt als jij
praktisch non-existent bent. Het is niet de schoonheid die
als een duif op je neerdaalt.
Toen Jezus gedoopt werd, zo zegt men, door Johannes de Doper
in de rivier de Jordaan, daalde God op hem neer, of de Heilige
Geest, als een duif. Ja, zo is het precies. Als jij er niet
bent, dan daalt vrede in je neer... fladderend als een duif....
gaat naar je hart en zoekt daar zijn verblijf, blijft er voor
altijd.
Jij staat jezelf in de weg, jij bent de barrière.
Meditatie komt als degene die mediteert er niet is. Als je
denkmechanisme en al zijn activiteit terugwijkt -inziet dat
het niets om het lijf heeft - dan dringt het onbekende bij
je naar binnen, overweldigt je.
De denkmachine moet wijken om god te laten zijn. Kennis moet
wijken om weten te laten zijn. Jij moet verdwijnen, jij moet
plaats maken. Jij moet leeg worden, alleen dan kun je vol
zijn.
Die nacht werd ik leeg en werd ik vol. Ik werd non-existent
en werd existentie zelf. Die nacht stierf ik en werd ik herboren.
Maar degene die herboren werd had niets te maken met dat wat
stierf, het is een discontinuïteit. Aan de buitenkant
lijkt het alsof het een continuïteit is, maar het is
een discontinuïteit. Degene die stierf, stierf totaal;
er is niets van hem over.
Geloof me, er is niets van hem over, zelfs geen schaduw.
Een totale dood, volledig. Niet, dat ik opnieuw gemodelleerd
ben, opnieuw gevormd, een nieuwe vorm, een nieuw gemaakte
vorm, gemodelleerd naar de oude vorm. Nee, er is geen continuïteit.
Die dag van de eenentwintigste maart is die persoon die vele,
vele levens geleefd had, duizenden jaren lang, domweg gestorven.
Een ander wezen, totaal nieuw, in niets verbonden met het
oude, kwam tot aanzijn.
Religie bezorgt je enkel een totale dood. Misschien is dat
de reden dat ik de hele dag die voorafging aan deze gebeurtenis
als een aanloop tot de dood voelde, alsof ik dood zou gaan
- en ik stierf werkelijk. Ik heb veel andere soorten dood
meegemaakt, maar vergeleken hierbij stelden die niets voor,
dat was steeds een halve dood.
Soms stierf het lichaam, soms stierf een deel van de denkmachine,
soms stierf een deel van het ego, maar als je naar de persoonlijkheid
kijkt, die bleef bestaan. Vaak gerenoveerd, vaak bijgeverfd,
hier en daar een beetje veranderd, maar die bleef bestaan,
de continuïteit bleef.
Die nacht was de dood totaal. Het was een afspraak met de
dood en met god, op hetzelfde moment.
|